De onzekere toekomst van Gelijke Onderwijskansen

Dat onze huidige regering niet de sociaalste aller tijden is, is intussen duidelijk. Dat deze regering bespaart op een domein als onderwijs dat de meest kwetsbare gezinnen in onze samenleving dat extra duwtje in de rug geeft, is ontoelaatbaar. Toch is Vlaams Minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) van plan om deze legislatuur zwaar te snoeien in het algemeen onderwijsbudget. 

Jeske Linten

Minister Crevits gaat nog een stap verder: in haar beleidsnota staat te lezen dat de extra werkingsmiddelen voor gelijke onderwijskansen zullen ‘evolueren naar een basistoelage die voor elke leerling gelijk is’. Dit is niets minder dan een herverdeling van geld van scholen met veel kansarme leerlingen naar scholen met een rijker publiek. Nu uit een rapport van het Rekenhof blijkt dat scholen met veel kansarme leerlingen hun extra werkingsmiddelen niet gebruiken waarvoor ze bedoeld zijn – te weinig voor onderwijs, te veel voor armoedebestrijding – staan die werkingsmiddelen voor kansarme leerlingen op de helling. Met andere woorden: terwijl deze besparingsregering met haar asociale maatregelen hoe langer hoe meer gezinnen in de armoede duwt, worden scholen berispt omdat ze aan armoedebestrijding doen.

Hoge leerprestaties, grote ongelijkheid

Nochtans zijn die extra werkingsmiddelen voor gelijke onderwijskansen nog steeds broodnodig. Want ondanks het hoge prestatieniveau van Vlaamse leerlingen in vergelijking met hun Europese medeleerlingen, blijkt uit verschillende onderzoeken dat de kloof tussen sterke en zwakke leerlingen nergens zo groot is als in Vlaanderen[1]. Problematisch is dat dit verschil in leerprestaties sterk bepaald wordt door de socio-economische achtergrond van leerlingen. Ons onderwijssysteem slaagt er dus nog steeds onvoldoende in om het effect van de socio-economische situatie op leerprestaties te beperken. Met als gevolg dat de achterstand waarmee jongeren uit kansarme milieus hun schooltijd beginnen nauwelijks wordt weggewerkt doorheen hun schoolloopbaan. Veel van deze leerlingen verlaten de school met onvoldoende bagage om volwaardig te kunnen participeren in onze samenleving. Daarmee is ons onderwijssysteem één van de meest ongelijke van Europa.

Ter illustratie: disproportioneel veel leerlingen uit minder geprivilegieerde klassen dalen systematisch af naar ‘minder gewaardeerde’ onderwijsvormen (BSO en TSO) of het buitengewoon onderwijs (watervalsysteem)[2]. Dit is het gevolg van negatieve keuzes die gemaakt worden op basis van leerachterstanden en tekorten. Daar komt nog bij dat in Vlaanderen nog steeds 14% van de leerlingen het secundair verlaat zonder diploma (2010). In een aantal centrumsteden rijzen die cijfers de pan uit: Antwerpen (26%), Genk (23%) en Gent (19%) zijn koplopers wat ongekwalificeerde schoolverlaters betreft[3]. Een leerling uit een kansarm gezin heeft in sommige steden tot viermaal meer kans om de school zonder diploma te verlaten[4].

Gelijke onderwijskansen

Om de invloed van een nadelige socio-economische situatie op schoolkansen te verminderen en om segregatie, discriminatie en sociale uitsluiting in het onderwijs tegen te gaan, werd in 2002 het GOK-decreet (Gelijke Onderwijskansen) ingevoerd. Dit vanuit het principe dat positieve discriminatie nodig is om tot gelijke leerkansen te komen voor álle leerlingen, ongeacht socio-economische of etnische achtergrond. Afhankelijk van het aantal ‘indicatorleerlingen’[5] (SES), heeft een school vandaag recht op extra personeel en extra werkingsmiddelen. Een totaal budget van 100 miljoen euro wordt jaarlijks verdeeld op basis van het sociaal profiel van een school. Bedoeling: leerlingen via kwaliteitsvol onderwijs uit de vicieuze cirkel van kansarmoede halen. Die extra middelen zouden gebruikt moeten worden voor nascholing van leerkrachten, het voorkomen en remediëren van leerachterstanden, het aanschaffen van extra pedagogisch materiaal, het inzetten van tolken, voorzien van extra leerlingenbegeleiding en het organiseren van extra (buiten)schoolse activiteiten.

Naar een gelijke toelage voor álle leerlingen?

Het lijkt vanzelfsprekend dat deze grote kansenongelijkheid in ons onderwijssysteem noopt tot extra investeringen in het onderwijs. De huidige Vlaamse regering denkt daar duidelijk anders over. Minister Crevits wil deze legislatuur maar liefst 819 miljoen euro besparen op het algemeen onderwijsbudget, waarvan jaarlijks 2.3% op de werkingsmiddelen van het basisonderwijs en 4.5% op die van het secundair[6].

Naast deze algemene besparingen plant minister Crevits een hervorming van het budget bestemd voor gelijke onderwijskansen. In haar beleidsnota zaaide Crevits met slechts één zin heel wat onrust: “De werkingsmiddelen evolueren naar een basistoelage die voor elke leerling gelijk is op basis van het onderwijsniveau (kleuter, lager, secundair) en de studierichting”[7]. Het extra personeel zal behouden blijven. Het totale bedrag aan werkingsmiddelen gaat niet naar omlaag maar zal op termijn wel gelijkmatiger verdeeld worden over alle scholen ongeacht leerlingenkenmerken.

Nadat Crevits zware kritiek kreeg op haar hervormingsplannen, haastte ze zich eraan toe te voegen dat ze wacht op de resultaten van twee onderzoeken (van het Rekenhof en de KULeuven). Daarin wordt nagegaan op welke manier deze GOK-middelen worden ingezet en of dat in alle scholen wel ‘efficiënt’ gebeurt. Als uit die onderzoeken zou blijken dat de GOK-middelen ook daadwerkelijk zouden bijdragen aan het verhogen van kansen voor bepaalde leerlingen, zal niet geraakt worden aan het systeem, aldus Crevits[8].

Afgelopen donderdag (25/6) werden in de Commissie Onderwijs de bevindingen besproken van beide onderzoeken[9]. Opmerkelijke conclusie van het Rekenhof: scholen met veel SES-leerlingen besteden hun extra werkingsmiddelen niet altijd waarvoor ze bedoeld zijn (extra onderwijsactiviteiten of extra pedagogisch personeel), maar vooral voor ‘uitgaven die aanleunen bij armoedebestrijding’[10].  

Heel wat scholen zouden hun extra middelen inzetten voor het lenigen van materiële basisbehoeften van leerlingen. Armoedebestrijding dus. Denk aan het voorzien van warme maaltijden en drank, schoolmateriaal, kledij, het vereffenen van onbetaalde schoolfacturen. Logisch dat scholen ervoor kiezen om eerst die materiële, uiterlijke verschijnselen van armoede aan te pakken. Welbevinden op school is immers een voorwaarde om te kunnen leren en zich te ontwikkelen. 

Minister Crevits reageerde afwachtend op de resultaten van het onderzoek. Ze wacht een advies van de VLOR af eer een definitieve beslissing te nemen over de hervorming van GOK. Voor de N-VA komen deze onderzoeksresultaten van het Rekenhof echter als geroepen. We weten al langer dat deze regeringspartij geen vurig voorstander is van de gedifferentieerde verdeling van GOK-middelen op basis van de sociale achtergrond van leerlingen. Koen Daniëls (N-VA) pleit ervoor om in plaats van de middelen rechtstreeks te verdelen onder scholen, meer in te zetten op extra onderwijzend personeel en op intensieve taalbaden[11]. Daarmee wordt het debat van gelijke onderwijskansen nog maar eens verengd tot het remediëren van taal- en andere leerachterstanden. Gelijke onderwijskansen gaan nochtans om veel meer dan het bijspijkeren van tekorten. Het gaat om het stimuleren van de totaalontwikkeling van de leerling, het verruimen van de leefwereld. Dat kan niet alleen door een focus op taalontwikkeling, maar vooral door het organiseren van extra (buiten)schoolse activiteiten om de leefwereld van de kinderen te verruimen en het welbevinden te verhogen.

Besparingsbeleid versus armoedebestrijding op school

De resultaten van het Rekenhof geven de regeringspartijen extra munitie om een onrechtvaardige hervorming van de GOK-middelen door te voeren, met het ‘verkeerdelijk gebruik’ van de middelen bedoeld voor gelijke onderwijskansen als argument. Als het niet de taak is van scholen om aan armoedebestrijding te doen, wiens verantwoordelijkheid is dat dan wel?

Scholen worden hoe langer hoe meer geconfronteerd met de armoede die kinderen dagelijks mee naar school nemen. Deze regering, met Vlaams minister voor Armoedebestrijding Liesbeth Homans (N-VA) op kop, draagt een verpletterende verantwoordelijkheid voor deze situatie. Besparingsfacturen worden systematisch doorgesluisd naar de meest kwetsbare gezinnen. Denk maar aan de verhoogde tarieven voor kinderopvang, het duurder openbaar vervoer, de afschaffing van het gratis basisgedeelte water en elektriciteit of het optrekken van de maximumfactuur in het basisonderwijs. De gezinsbond berekende onlangs dat een gemiddeld gezin jaarlijks zo’n 2500 euro extra zal moeten ophoesten dankzij de besparingen[12]. Dat allemaal ondanks het alarmerend bericht dat vorig jaar in Vlaanderen 11.38% van de kinderen in een kansarm gezin wordt geboren, een stijging ten opzichte van 2013[13]. De gratis 1-euromaaltijden, het ‘grote’ initiatief van Homans, zal het aantal kinderen in armoede niet doen afnemen.

Het zijn de scholen die als eerste merken dat ouders de facturen niet meer betaald krijgen. Scholen worden dagelijks geconfronteerd met kinderen die zonder boterhammendoos naar school komen, die niet mee op uitstap kunnen, geen gepaste winterkledij dragen of niet het noodzakelijke schoolmateriaal kunnen aanschaffen. Het zijn deze scholen die deze armoede dagelijks te lijf gaan met de middelen die ze hebben. Het wordt juist deze scholen verweten dat zij GOK-middelen besteden aan materiële voorzieningen voor leerlingen die met zichtbare materiële tekorten kampen.

Niet alleen gezinnen worden rechtstreeks getroffen. Vorige week nog besliste Minister Homans de financiering te verminderen voor organisaties die initiatieven nemen om kinderarmoede en kansarmoede te bestrijden[14]. Tegelijk worden steden en gemeenten gedwongen te besparen op allerhande sociale voorzieningen en diensten waar scholen gebruik van kunnen maken. Ook die besparingen komen uiteindelijk bij de scholen terecht. Scholen worden bijgevolg hoe langer hoe meer verantwoordelijk gesteld voor eerstelijns armoedebestrijding. Scholen die de ergste noden proberen opvangen, zullen nu – volgens het plan van de regering – gestraft worden door een herziening van de werkingsmiddelen voor gelijke onderwijskansen.

Niet minder maar méér werkingsmiddelen nodig

Natuurlijk zijn de extra werkingsmiddelen voor gelijke onderwijskansen in theorie niet bedoeld voor armoedebestrijding. In de realiteit zien we dat scholen niet anders kunnen. Zij nemen een verantwoordelijkheid op zich die de regering niet neemt. Liefst snijdt deze regering in alle budgetten en initiatieven die kansarmoede structureel kunnen aanpakken. De systemen voor een rechtvaardige herverdeling van rijk naar arm worden hoe langer hoe meer aangetast. En alle domeinen waar ook echt aan armoedebestrijding kan gedaan worden, moeten het ontgelden: de sociale zekerheid, de gezondheidszorg, de kinderopvang, het openbaar vervoer, onderwijs of energieconsumptie. Armoedebestrijding is voor deze regering duidelijk geen prioriteit.

Hoewel de GOK-middelen de sociale ongelijkheid in onze samenleving niet structureel zullen aanpakken, zijn ze momenteel onontbeerlijk om leerlingen dat extra duwtje in de rug te geven dat ze nodig hebben om uit de vicieuze cirkel van schoolse kansarmoede te geraken. Uit de praktijk blijkt bovendien dat heel wat scholen in de loop der jaren dankzij het GOK-budget heel wat expertise en goede praktijken ontwikkeld hebben die effectief leiden tot meer ontwikkelingskansen voor sociaal kwetsbare leerlingen. Het is dan ook absurd om scholen met veel kansarme leerlingen de extra werkingsmiddelen af te nemen en die door te sluizen naar scholen die het minder nodig hebben. Daarom is niet minder maar méér financiering nodig om de hoge noden in het onderwijs het hoofd te kunnen bieden. Alleen op die manier kunnen de extra werkingsmiddelen voor gelijke onderwijskansen ook daadwerkelijk gebruikt worden waarvoor ze bedoeld zijn. Als daar tegelijk een sociaal rechtvaardig beleid van armoedebestrijding op alle belangrijke maatschappelijke domeinen tegenover staat. 

 

Bronnen:

[1] UGent (2013), Wiskundige geletterdheid bij 15-jarigen. Overzicht van de eerste Vlaamse resultaten van PISA2012. Universiteit Gent – Vakgroep Onderwijskunde.

Danhier, Julien; Jacobs, Dirk; Devleeshouwer, Perrine; Martin, Émilie; Alarcon, Alejandra (2014), Naar kwaliteitsscholen voor iedereen? Analyse van de resultaten van het PISA 2012-onderzoek in Vlaanderen en in de Federatie Wallonië-Brussel. Koning Boudewijnstichting.

[2] Nicaise, Ides; Kavadias, Dimokritos; Spruyt, Bram; Van Houtte, Mieke [red.] (2014), Het onderwijsdebat. Waarom de hervorming van het secundair broodnodig is. Berchem: EPO vzw.

[3] Stadsmonitor: "Ongekwalificeerde uitstroom uit het secundair onderwijs"

[4] Departement Onderwijs en Vorming (Vlaamse Overheid), februari 2015: "Vroegtijdig schoolverlaten in het Vlaams Secundair Onderwijs", p16-18.

[5] SES/GOK: Socio-Economische Situatie: thuistaal niet-Nederlands; laag opleidingsniveau moeder; beursgerechtigd; wonend in een buurt met veel schoolse vertraging

[6] De Morgen, 9-8-2014: "Dit is de rekening van Bourgeois I" ; Joris Van Gorp, 28-9-2014: "Studiedienst PVDA ontrafelt fameuze tabel en voorziene inleveringen van Vlaamse regering"

[7] Beleidsnota Onderwijs 2014-2019, p42

[8] Speciale uitzending onderwijsspecial Zevende Dag, 6-5-2015.

[9] Vergadering Commissie Onderwijs, Vlaams Parlement, 25-6-2015

[10] Verslag van het Rekenhof over werkingsbudgetten voor het gewoon basis- en secundair onderwijs, 17-6-2015, (p58)

[11] Persbericht Koen Daniëls (N-VA), 18-6-2015, Steun voor kansarme leerlingen gaat te weinig naar pedagogische begeleiding.

[12] De Morgen, 15-5-2015, Het prijskaartje van de besparingen voor een gezin.

[13] De Morgen, 26-6-2015, Meer kinderen geboren in kansarme gezinnen.

[14] De Morgen, 27-6-2015, Minder geld voor strijd tegen kinderarmoede.

 

Dit artikel werd eerder gepubliceerd op de website van DeWereldMorgen. Lees het hier.