|
|

(uit: dagboek Harrie Dewitte, november 1974)
Alles draait. Ik ben halfdoof en versuft. De kettingen van het pantser, een metalen transportband, rammelen. 50 meter verder staat een steenbreker, een machine die massieve rotsblokken vermaalt tot keien. De lichten van de signalisatie dansen voor mijn ogen. Iemand grijpt me vast en duwt me op een houten materiaalkist. Ik ken hem niet. Hij is zwart, zoals iedereen hier in de mijn. De man geeft me wat te drinken uit een enorme gedeukte drinkbus. Koude slappe koffie. Het kikkert me wat op. Ik weet niet hoe laat het is, want mijn uurwerk, een ultramodern digitaal toestelletje, mag niet mee naar beneden. Dat is tegen het explosiegevaar. Ali, want zo heet de man die me te drinken geeft, komt naast me zitten. Hij zegt dat het genoeg geweest is voor vandaag. Het is mijn eerste maandag in de mijn van Winterslag.
's Morgens ben ik nog langs Dr. Dezeure gepasseerd. Die heeft eventjes met zijn stethoscoop op mijn rug geluisterd en riep ondertussen dat ze mijn zicht nog moeten controleren. Ik was een beetje bang, want ik draag een bril en met een bril word je niet toegelaten in de mijn. Maar dat lijkt niet zo belangrijk, want de man die de letters aanwijst heeft helemaal niet door dat ik er gewoon op los gok. "Boven. Onder. Links. Boven." Goedgekeurd. Ik mag naar het magazijn en daar krijg ik een helm, werkschoenen met een stalen tip, handschoenen en een veel te grote blauwe vest. Mijnwerk is blijkbaar voor stoere binken en met mijn 60 kg kan ik niet doorgaan voor een bodybuilder.
Om 12.30 uur sta ik aangekleed voor de kas. Zo noemen de mijnwerkers de liftkooi. Kooi is hier letterlijk te nemen, want het is een stalen gevaarte dat ons 600 meter naar beneden moet brengen. De lift dient ook voor het kolentransport. Ik ben ingedeeld bij de ploeg van Leon Berben. Hij is chef porion. Hij is het opperhoofd van de bende die werkt op 660 meter diep, derde bouvenors. Berben geeft me een mijnlamp en een kaart. Met de kaarten van alle mijnwerkers plant hij de werkverdeling voor de komende dag. Het hele gedoe doet mij een beetje denken aan een schoolmeester die op de speelplaats de kinderen in een rij moet krijgen. De mijnwerkers laten zich netjes zoals sardienen in de liftkas stapelen. Met hun rug naar achteren worden er 20 man in een kas geperst. Iedereen drumt opeen. Ik ben bang voor mijn thermosje verse koffie dat ik in één van de reuze zakken van mijn vest heb. Het is decemberkoud en ik denk dat een bakje hete koffie dus wel deugd zal doen. Ik ondervind al snel dat iedereen hier veel koffie mee heeft. De tralies van de lift zijn nog maar net dicht, of ze spuwen mijn nek al vol met koffie. Als ik verbaasd achterom kijk, krijg ik meteen een nieuwe straal in mijn gezicht. Het spul ruikt niet naar koffie, maar naar tabak. De doopplechtigheid wordt hier met koffie en tabaksspeeksel gehouden.
Als ik beneden aankom, moet ik in een trein stappen. Trein is eigenlijk een groot woord voor de gesloten metalen kist op wielen, van nauwelijks 80 cm breed. Er zitten 2 gaten in als deur. De fauteuils zijn houten planken langs de kant. Hier eten de meeste mijnwerkers ook. Grote sneden brood, dik belegd, houden ze vast tussen papier waarin hun brood verpakt is. Mijn vrouw, Gina, heeft ook wat boterhammen verpakt. Die zijn wel verpakt in plastic folie en dan nog 'ns in een boterhammendoosje gestoken. Er steken zelfs enkele papieren servetjes bij. Ik durf ze niet uithalen.
Aan het eindstation stappen we door een hydraulische deur. De hitte valt op me neer als een blok. Het stinkt er verschrikkelijk. En het is er heel stil. Je kan de houten ondersteuning horen kraken. Het stof prikkelt in mijn neus en keel. Op enkele minuten breekt het zweet me langs alle poriën uit. We hangen onze bovenkleding aan een paar nagels aan de muur. De magazijnier steekt me een schup en pik in de handen. Nu ben ik een echte mijnwerker! Maar we zijn nog niet aan onze werkplaats. We stappen op de lange riem. Dat is een transportband voor steenkool, die nu in omgekeerde richting loopt. De mijnwerkers gaan op hun buik liggen, alsof ze een middagdutje doen na hun schaft in de trein. Ik wil alles zien en steek mijn sterke koplamp aan. In de mijn hebben de helmen ook phares en kleine lichten. Het plafond bestaat uit gebogen poutrelles met blokken hout ertussen. Waterleidingbuizen, persluchtbuizen en elektriciteitskabels hangen met kabels en draad aan de dwarsliggers. Overal hangen er slordige slierten draad. Één ervan haakt zich als een lus rond mijn nieuwsgierige kop. Ik word als een konijn ondersteboven op de band getrokken. Op mijn hals tekent zich een rode striem af…
In de mijn gebeuren veel ongevallen. Jaarlijks heeft elke mijnwerker 1,5 ongeval. Dat staat in een rapport. Later wil ik me als dokter bezig houden met die ongevallen.
Ik werk in de galerij aan het steenfront. Ik moet grote granietblokken die niet door de steenbreker kunnen met de pikeur, een pneumatische breekhamer, kapot breken. Mijn compagnon die mij het vak van mijnwerker moet aanleren, verdwijnt tussen de houtstapels. Aan de geur die ineens achter het hout komt, kan ik al vermoeden wat hij daar achtergelaten heeft. Maar niemand let op mij en ik sleur met mijn twee handen de pikeur naar zo'n rotsblok. Als ik de trekker overhaal, danst de beitel over het blok en sleurt me mee. Ik probeer nog om de breekhamer tegen te houden, maar ik scheur mijn jeans vanaf mijn achterste tot aan de ritssluiting vooraan. Strakke broeken zijn wel goed voor de bovengrond, maar niet als werkbroek. In het vervolg werk ik met een zwemshort en in mijn bloot bovenlijf. Iedereen werkt daar trouwens in zijn blote torso. Toch keek iedereen naar me. En altijd dezelfde opmerking. De mannen schenen met hun lamp in mijn gezicht en naar mijn voeten en omgekeerd. "Hoe oud ben je ventje?"
"25 jaar".
Onbegrip. "Ben je echt 25 jaar? Dan heb je nog niet veel gewerkt in je leven."
Twee dingen leer ik onmiddellijk kennen in de mijn: zweten en stof. Ik werk op de tweede vouille, de terugkeergalerij. Er is een eerste galerij, dan de peiler en dan de tweede galerij. Via de eerste galerij gaat de steenkool naar de lange band. Daarlangs wordt "verse" lucht aangevoerd. In de peiler graaft een reusachtige trommelsnijmachine de steenkool. Via de tweede galerij, de retours d'air, worden lucht en stof afgevoerd. Ik zie mijn eigen voeten niet meer. Zweten doe je daar meer dan in een sauna. Ik moet ongeveer drie keer mijn werkschoenen leeggieten, omdat ze vol zweet staan. Ik kan alleen nog maar denken aan de schaft, zodat ik ergens in een refter mijn handen en gezicht kan wassen en vooral wat kan drinken. Er is te veel stof om mijn koffie in een tas te gieten en mijn koffie is te heet om hem direct uit de thermos te drinken. Na drie uur komt Berben kijken hoe het met me gaat. Ik hoor hem lachen als ik vraag waar de refter is. Ik durf hem niet zeggen dat ik te weinig en te warm drinken bij heb. Ik wil het water uit de waterleidingbuizen drinken, maar hij vertelt dat het koelwater van de motoren is. Uiteindelijk giet ik mijn koffie uit, maar hij wil niet afkoelen. Het proeft meer naar cement dan naar koffie, maar ik drink.
Toch een sympathieke man, die Berben. Hij is een van de stakingsleiders in 1970. Ik heb hem nog gezien, toen ik als student pamfletten heb uitgedeeld aan de poort van Winterslag. De mijnwerkers waren aan het staken voor een menswaardiger leven. € 5 per dag kregen ze toen en ze eisten 15% loonsopslag. Op hetzelfde moment dreigden ook de Belgische dokters met een staking. Die verdienden 'maar' € 500 per dag. Zij wilden ook een opslag van 15%. De artsen kregen hun loonsverhoging, de mijnwerkers niet. Ik wil nog meer dokter van de mijnwerkers worden .
Ik heb nooit heerlijker gedoucht dan die eerste dag. Ik heb meer water gedronken dan ik gebruikt heb om me te wassen. Ik kan eindelijk doodmoe naar huis. Ik moet aanbellen, want ik ben mijn huissleutel vergeten. Gina bekijkt me of ik een vreemde ben die om 11 uur 's avonds komt vragen of ze geen stofzuiger wil kopen. Ze wil me alleen binnenlaten als ik eerst in bad ga. Alles doet pijn. De striem in mijn hals brandt. Mijn nek is stijf. Mijn rechterbil is helemaal verbrand, want mijn batterij heeft blijkbaar gelekt. Dit werk kan ik niet, ik hou het gewoon niet vol. En ik val in slaap in bad. Gelukkig heeft Gina zachte handen.
Mijn carrière als mijnwerker duurt niet lang. Zogauw Mr. Rome, de toenmalige personeelschef van de mijn van Winterslag te weten komt dat ik arts ben, blokkeert hij meteen mijn mijnwerkerslamp. Ik kan mijn ontslagpapier halen. Hij laat mij door 8 gardes naar buiten dragen. Hij brengt zelf mijn bundeltje putkleren en gooit ze me achterna. Volgens hem ben ik een gevaar voor de mijn. Pottenkijkers kunnen ze niet gebruiken. Het is toch eigenaardig dat directeurs personeelszaken zo bang zijn, ook nu nog, als er iets uitlekt over de echte werkomstandigheden. Die ervaring onder in de mijn heeft mij goed gedaan. Ik heb boterhammen met stof gegeten. Mijn neusgaten zaten vol met stof. En ondanks goed wassen kreeg ik het stof niet van mijn ogen. Ik begrijp wat een stoflong is. De meeste van mijn eerste patiënten zijn ondertussen dood als gevolg van hun stoflong.
Veel artsen van Geneeskunde voor het Volk, hebben een tijdje in een fabriek gewerkt, voor ze als arts begonnen. Misschien is dat een goed idee: alle grote politiekers zouden eens in een fabriek moeten werken.
Ik berg dus mijn diploma van mijnwerker op in de kast. En ik hang een houten plaatje met plakletters aan de deur van het huis van Lowie, die nog steeds mijn huisbaas is. "Geneeskunde voor het Volk". De slaapkamer wordt nu mijn consultatieruimte. Een plank op twee schragen is mijn bureau. 3 plastic stoelen, een kast en een onderzoeksbed is de rest van het volledige medische meubilair. De living fungeert als wachtzaal. De eerste patiënten vervelen zich niet. Daar zorgt mijn 2,5 jarige dochter voor, wiens tong haar belangrijkste nieuwe speelgoed is. Of ze helpen mee in de keuken met de afwas of de strijk.